De voorzitter opent de zitting op 23/03/2026 om 20:00.
Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, artikel 32.
Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, artikel 277 en 278.
Elk gemeenteraadslid heeft het recht tijdens de vergadering opmerkingen te maken over de redactie van de notulen en het zittingsverslag van de vorige vergadering. Als die opmerkingen door de gemeenteraad worden aangenomen, worden de notulen en het zittingsverslag in die zin aangepast.
Als er geen opmerkingen worden gemaakt over de notulen en het zittingsverslag van de vorige vergadering worden de notulen en het zittingsverslag als goedgekeurd beschouwd en worden ze ondertekend door de voorzitter van de gemeenteraad en de algemeen directeur.
| Art. 1: |
De notulen van de zitting van de gemeenteraad van 23 februari 2026 goed te keuren. |
| Art. 2: |
Het verslag van de zitting van de gemeenteraad van 23 februari 2026 goed te keuren. |
Statuten van projectvereniging Wijkwerkorganisatie Leie en Schelde, artikel 5.
De projectvereniging Wijkwerkorganisatie Leie en Schelde (Werken Leie en Schelde) werd door 10 lokale besturen (intussen zijn dit 7 lokale besturen gezien de fusie Deinze – Nevele en later Merelbeke-Melle en Nazareth-De Pinte) opgericht op 1 januari 2018, met als opdracht de lokale samenwerking tussen besturen onderling en met andere betrokken partner die als doelstelling hebben het stimuleren van het tewerkstellings- en activeringsbeleid, te bevorderen. De projectvereniging wil ondermeer streven naar de uitvoering van projecten die de tewerkstellingsgraad van kwetsbare groepen in het werkingsgebied verhogen alsook naar een gedragen beleidsvisie.
Dit kan onder meer door:
De deelnemende lokale besturen behoren tot de regio Gent. Eén van onze buurgemeentes Lochristi organiseert tot op de dag van vandaag het wijk-werken via de Projectvereniging Wijk-Werken Lokeren-Lochristi-Moerbeke-Wachtebeke. Deze gemeenten behoren echter tot twee afzonderlijke regio’s. Lochristi (intussen gefusioneerd met Wachtebeke) valt net zoals de gemeenten van de projectvereniging Leie en Schelde onder regio Gent. Lokeren (intussen gefusioneerd met Moerbeke) valt onder regio Waasland. Dit maakt dat het niet mogelijk is om nog langer als één organisatie organisator te functioneren voor het wijk-werken. Op 21 november 2025 stelde Lochristi de vraag aan de projectvereniging om toe te treden tot Wijk-werken Leie en Schelde. De raad van bestuur ging in de elektronische zitting van 5 december 2025 principieel akkoord met deze toetreding.
De statuten van de projectvereniging zeggen hierover het volgende:
"De aanvaarding van een nieuwe deelnemer dient goedgekeurd te worden in de Raad van Bestuur op basis van een formele beslissing. De toetreding wordt daarop aan alle deelnemers van de vereniging bezorgd die de toetreding goedkeuren door middel van een raadsbeslissing."
Op dit ogenblik volgt Lochristi volgend tijdspad
| December 2025 - maart 2026 |
Positief advies geven en voorbereidingen treffen voor de aansluiting. |
VDAB |
| Tot 31/03/2026 |
De projectvereniging blijft de officiële organisator. |
Projectvereniging |
| Vanaf 1/04/2026 |
Aansluiting bij de nieuwe wijk-werkorganisator is een feit. |
Het is dus belangrijk dat de officiële toetreding van kracht kan gaan vanaf 1 april 2026 zodat Wijk-werken Leie en Schelde de nieuwe organisator kan worden voor Lochristi.
In functie van de toetreding dienen er ook wijzigingen in de statuten doorgevoerd te worden. Op dit moment wordt dit juridisch afgestemd. De nieuwe statuten zullen op een later moment voorgelegd worden op de gemeenteraad.
| Art. 1: | De gemeenteraad verklaart zich akkoord met de toetreding van het lokaal bestuur Lochristi tot de projectvereniging Wijkwerkorganisatie Leie en Schelde. |
| Art. 2: | Afschrift van deze beslissing over te maken aan projectvereniging Wijkwerkorganisatie Leie en Schelde |
Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, artikel 41 2e lid 4°.
De gemeente Gavere is aandeelhouder van Dimensa Woonmaatschappij.
Dimensa bezit 3.575 woningen gelegen in het werkingsgebied Gent-Stad. Dit patrimonium moet overeenkomstig artikel 209 van het decreet van 9 juli 2021 uiterlijk op 1 januari 2028 worden overgedragen aan Thuispunt Gent, zijnde de woonmaatschappij bevoegd voor het werkingsgebied Gent-Stad.
Artikel 4.38 §7 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 voorziet in een cascaderegeling voor deze overdracht:
Het bestuursorgaan van Dimensa heeft bij beslissing van 24 februari 2026 beslist om haar aandeelhouders te bevragen over de vraag of zij bereid zijn om in het kader van een partiële splitsing aandelen te verwerven in Thuispunt Gent.
De gemeente Gavere heeft van Dimensa een informatienota ontvangen waarin de gevolgen van een partiële splitsing worden toegelicht, met het verzoek om haar standpunt kenbaar te maken.
Uit de informatienota van Dimensa blijkt het volgende:
Financiële situatie van Thuispunt Gent: Thuispunt Gent kent een precaire financiële situatie met een overgedragen verlies van € 95.941.284 volgens de meest recente jaarrekening. Dit overgedragen verlies is gestegen ten opzichte van het voorgaande boekjaar (€ 91.193.795).
Indien de gemeente Gavere via een partiële splitsing aandelen zou verwerven in Thuispunt Gent, zou dit concreet betekenen:
De gemeenteraad overweegt het volgende:
| Art. 1: | Kennis te nemen van de informatienota van Dimensa Woonmaatschappij betreffende de overdracht van patrimonium aan Thuispunt Gent en de raadpleging van de aandeelhouders omtrent de overdrachtsmodaliteit. |
| Art. 2: | Vast te stellen dat de gemeente Gavere, gelet op:
|
| Art. 3: | De vraag van Dimensa, of gemeente Gavere bereid is om in het kader van een vennootschapsrechtelijke herstructurering aandelen te verwerven in Thuispunt Gent, in te vullen als volgt: ☐ JA, Gavere is bereid om aandeelhouder te worden van Thuispunt Gent. x NEEN, Gavere is niet bereid om aandeelhouder te worden van Thuispunt Gent. |
| Art. 4: | Een afschrift van deze beslissing over te maken aan Dimensa. |
Voor het bekomen van de nodige persoonsgegevens en inlichtingen voor de toekenning van het verlaagd tarief dient een overeenkomst te worden afgesloten met de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ).
Enkel de sociale statuten en persoonsgegevens noodzakelijk voor de toekenning van de aanvullende rechten of de verstrekking van inlichtingen dienaangaande zullen in een gegevensbank bewaard worden. De KSZ is verwerkingsverantwoordelijke.
De door de KSZ aan de gemeente Gavere overgemaakte persoonsgegevens mogen uitsluitend worden gebruikt voor het doeleinde en mogen slechts worden bewaard zolang dat noodzakelijk is voor het verwezenlijken van het doeleinde en moeten daarna worden vernietigd. Ze mogen onder geen beding verder worden meegedeeld aan derden zonder beraadslaging van het informatieveiligheidscomité.
Elke mededeling van persoonsgegevens tussen de betrokken partijen gebeurt via filetransfer.
De duur van de overeenkomst is maximaal vijf jaar en kan in geen geval de duur van het geldend belastingreglement overschrijden.
De totale kostprijs voor de mededeling van de persoonsgegevens door de KSZ aan de gemeente komt overeen met de eenheidsprijs van een bericht vermenigvuldigd met het aantal dienstige inputberichten. Deze eenheidsprijs wordt vastgelegd half april van het jaar waarin de dienst wordt verleend en is vrijgesteld van btw.
De gemeente bezorgt voorafgaandelijk aan de uitvoering van de werkzaamheden aan de KSZ een afschrift van het besluit van de gemeenteraad betreffende de kennisname van deze overeenkomst.
| Art. 1: | De gemeenteraad neemt kennis van het afsluiten van de overeenkomst nummer 26/068 inzake de mededeling van persoonsgegevens door de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid aan de gemeente Gavere voor de automatische toekenning van aanvullende rechten of de verstrekking van inlichtingen dienaangaande. |
| Art. 2: | De overeenkomst geldt van 2026 tot en met 2030. |
| Art. 3: | De totale kostprijs voor de mededeling van de persoonsgegevens door de KSZ aan de gemeente komt overeen met de eenheidsprijs van een bericht die wordt berekend op basis van de naar behoren geïndexeerde gegevens van het jaar voorafgaand aan het jaar van het leveren van de dienst, vermenigvuldigd met het aantal dienstige inputberichten van de gemeente. De eenheidsprijs wordt vastgesteld half april van het jaar waarin de dienst wordt verleend en is vrijgesteld van btw. |
| Art. 4: | Het college van burgemeester en schepenen te gelasten met de uitvoering van onderhavige beslissing. |
| Art. 5: | Een afschrift van deze beslissing over te maken aan
|
Het decreet van 3 mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten (het BOA-decreet) kent aan lokale besturen een centrale regierol toe in de uitbouw van een geïntegreerd buitenschools aanbod. De lokale besturen staan voor de opdracht om een toegankelijk, kwaliteitsvol en inclusief aanbod van buitenschoolse opvang en activiteiten te realiseren voor alle kinderen van 2,5 tot 12 jaar, voor en na schooltijd en op schoolvrije dagen.
Het lokaal bestuur vervult daartoe de volgende opdrachten:
1° het ontwikkelen van een lokaal beleid dat rekening houdt met de doelstellingen en dat deel uitmaakt van de meerjarenplanning.
2° het beslissen over de besteding en de verdeling van de beschikbare financiële, personele, logistieke en infrastructurele middelen, waaronder de subsidie.
3° de erkenning, het toezicht en de handhaving met betrekking tot het lokaal aanbod van buitenschoolse activiteiten.
Het lokaal bestuur bekijkt daarbij de toegankelijkheid en heeft bijzondere aandacht voor kleuters, kwetsbare gezinnen en kinderen met een specifieke zorgbehoefte, en voor het stimuleren van het multifunctioneel en efficiënt gebruik van infrastructuur.
Het lokaal bestuur Gavere start op 1 september 2026 met de effectieve uitvoering van het BOA-decreet.
Het vaststellen van een lokaal erkenningskader kadert binnen deze decretale bevoegdheden en vormt een noodzakelijke stap voor een consistente en transparante uitvoering van het BOA-decreet op lokaal niveau.
De Vlaamse Regering ontwikkelde een inspiratiekader ter ondersteuning van lokale besturen en aanbieders van buitenschoolse opvang en activiteiten, evenals een subsidieregeling bij de realisatie van een geïntegreerd aanbod. Vanaf 1 september 2026 moet het erkend aanbod buitenschoolse activiteiten voldoen aan de minimale vereisten binnen de zes kerngebieden binnen het Vlaams kwaliteitskader. Deze kwaliteitsvoorwaarden zijn gebaseerd op de dimensies van het Europees kwaliteitskader.
Aanbod buitenschoolse activiteiten dat reeds een erkenning heeft op basis van andere regelgeving moet niet opnieuw erkend worden.
Het lokaal bestuur ontwikkelt een lokaal erkenningskader, gebaseerd op de bovenstaande principes en in overleg met de betrokken actoren, binnen het lokaal samenwerkingsverband.
Dit lokaal erkenningskader geeft de kwaliteitsvoorwaarden weer waaraan een organisator moet voldoen om aanspraak te kunnen maken op financiële middelen gekoppeld aan BOA.
Het lokaal bestuur erkent dat het uitbouwen van een geïntegreerd kwaliteitsbeleid een groeiproces is. Van de organisator wordt verwacht dat hij aantoonbaar inzet op het versterken van de kwaliteitspijlers en hierover jaarlijks rapporteert volgens het door de gemeente Gavere vastgelegde sjabloon. Deze evaluatie brengt zowel de gerealiseerde stappen als de geplande verbeteracties in kaart en vormt de basis voor opvolging en dialoog met het lokaal bestuur.
Het lokaal samenwerkingsverband verleende positief advies over de voorliggende ontwerpstukken in de zitting van 27 februari 2026. Het concreet advies en het antwoord hierop luiden:
| Advies | Antwoord bestuur |
| Art. 2: "De opvang vindt plaats voor- en naschools en op woensdagnamiddag en op schoolvrije dagen". De scholen geven aan dat zij niet alleen kunnen instaan voor de organisatie van de opvang tijdens de schoolvrije dagen. Ondersteuning vanuit de gemeente is noodzakelijk hiervoor. | Het bestuur wil hiervoor inderdaad op zoek gaan naar een samenwerkingsmodel om de opvang tijdens schoolvrije dagen kwaliteitsvol in te vullen. Art. 2 werd als volgt aangepast:
|
| Art. 6: Wat zijn de concrete verwachtingen rond een publiek toegankelijke klachtenprocedure? Kan dit in het schoolreglement en mag dit één procedure zijn voor onderwijs én opvang? | Dit wordt niet geëxpliciteerd in het erkenningskader en vergt dan ook geen aanpassingen. |
| Art. 7: Wat gebeurt er als de opvang verlieslatend wordt? | Het erkenningskader geeft aan dat de organisator een gezond financieel beleid moet voeren. Het kader vermeldt ook dat tarieven jaarlijks worden vastgesteld in samenspraak met het lokaal samenwerkingsverband BOA en kunnen worden bijgestuurd op basis van actuele noden. |
| Art. 8: De minimaal verwachte openingsuren op woensdagnamiddag (tot 18u) en op vrijdag (tot 18u) zijn niet realistisch voor alle scholen. Voor alle scholen is het haalbaar om dit te organiseren op woensdagnamiddag tot minimaal 17u00 en op vrijdag tot minimaal 17u30. | Dit werd aangepast in artikel 8: "Zij voorzien minimaal opvang op weekdagen (exclusief woensdag en vrijdag) voor en na schooltijd van minimaal 7u tot minimaal 18u00, op woensdagnamiddag tot minimaal 17u00, op vrijdag voor en na schooltijd van minimaal 7u tot minimaal 17u30 en op schoolvrije dagen van minimaal 7u tot minimaal 18u" |
| Art. 8: Welke voorrangsregels moeten gehanteerd worden bij de toepassing van een maximumcapaciteit? | Het kader geeft enkel aan dat de maximale capaciteit geregistreerd moet worden. Het is niet de bedoeling om kinderen te weigeren en voorrangsregels toe te passen. Er werden geen bijsturingen gedaan aan het kader. |
| Art. 8 : Het kader stelt dat de erkende organisator verplicht is gebruik te maken van de door de gemeente Gavere voorziene inschrijvingstool. De scholen geven aan dat ouders niet altijd ruim op voorhand kunnen inschatten wanneer ze juist gebruik gaan maken van de opvang. | Bij de keuze van de tool en de implementatie van de tool zal dit bewaakt worden. Er werden geen bijsturingen gedaan aan het kader. |
| Art. 9: De scholen zijn bezorgd dat het toepassen van een ratio van 1 begeleider op 25 kinderen en min. 2 begeleiders aanwezig niet haalbaar is voor de kleine vestigingen. Het aanwezig zijn van min. 2 begeleiders tijdens de voorschoolse opvang en woensdagnamiddag is ook niet altijd haalbaar. | Het kader voorziet afwijkingen dus dit vraagt geen bijsturingen aan het kader: "de organisator heeft autonomie om inzet te laten variëren afhankelijk van de piek- en dalmomenten. Afwijkingen van de ratio zijn gemotiveerd mogelijk in de voorschoolse opvang of op vestigingen < 18 kinderen. " |
| Art. 9: De scholen zijn bezorgd over de verwachting rond het 'actief stimuleren van de taalontwikkeling van de kinderen'. | Dit element moet uiteraard geïnterpreteerd worden binnen de context van de buitenschoolse opvang. Het artikel werd als volgt aangepast: "De taalontwikkeling van kinderen wordt actief gestimuleerd." |
Het lokaal bestuur zal, samen met het lokaal samenwerkingsverband BOA, het lokaal erkenningskader periodiek evalueren en indien nodig aanpassen in functie van evoluerende noden en beleidsdoelstellingen.
| Doelstelling en toepassingsgebied | |
| Art. 1: | Het lokaal bestuur neemt de regierol op en werkt samen met betrokken partners aan de uitbouw van een kindgericht buitenschools beleid binnen de contouren van het BOA-decreet. Het lokaal bestuur staat, binnen het door de Vlaamse overheid vastgelegde kwaliteitskader, in voor de erkenning en handhaving van het lokaal aanbod buitenschoolse opvang. Met het oog hierop stelt het lokaal bestuur een lokaal erkenningskader vast dat de voorwaarden bepaalt waaraan organisatoren van buitenschoolse opvang moeten voldoen om erkend te kunnen worden. |
| Art. 2: | Dit erkenningskader is van toepassing op elke organisator, zijnde een rechtspersoon of een organisatie, die verantwoordelijk is voor het aanbieden van buitenschoolse opvang en die cumulatief aan alle volgende voorwaarden voldoet:
|
| Erkenningsvoorwaarden |
|
| Art. 3: | Om erkend te worden, moet een organisator voldoen aan de onderstaande basiskwaliteitseisen, of beschikken over een groeiscenario, onderbouwd met een zelfevaluatie en een verklaring op eer. De erkenning geldt van 1 september 2026 tot 31 december 2031. |
| Pijler Organisatorisch beleid |
|
| Art. 4: | De organisator beschikt over voldoende beleidsvoerend vermogen en organiseert het aanbod op een veilige, continue en transparante manier. |
| Art. 5: | 1. Beleidsvoerend vermogen De organisator verklaart bij de aanvraag tot erkenning akkoord te gaan met de lokale BOA-visie van het lokaal bestuur Gavere. De organisator beschikt over een duidelijke visie op de buitenschoolse opvang die aansluit bij de brede doelstellingen van het BOA-decreet. Deze visie is bekend bij de medewerkers en wordt vertaald in de dagelijkse werking. De organisator voorziet in duidelijk leiderschap en beschikt over een helder omschreven organisatiestructuur. Taken, functies en verantwoordelijkheden binnen de opvang zijn duidelijk vastgelegd, waarbij de eindverantwoordelijkheid expliciet wordt toegewezen. De organisator hanteert een geïntegreerde aanpak waarbij verschillende kwaliteitsaspecten onderling verbonden zijn, waaronder infrastructuur, veiligheid, gezondheid, omgang met kinderen, organisatorisch management en samenwerking met partners. De organisator hanteert een reflectieve, proactieve en reactieve houding. Hij evalueert zijn werking op basis van feedback van medewerkers, ouders, kinderen en andere betrokkenen, kijkt vooruit, neemt initiatief en reageert passend op zowel positieve als negatieve signalen. Daarnaast toont de organisator een innovatieve houding en is hij bereid de werking bij te sturen of te vernieuwen in functie van veranderende noden, regelgeving en samenwerkingsverbanden. De organisator voorziet in doeltreffende, tijdige en transparante communicatie met medewerkers en ouders. De organisator werkt actief samen met relevante partners en staat open voor feedback en bijsturing. |
| Art. 6: | 2. Integriteit en veiligheid De organisator voert een beleid dat de fysieke en psychische veiligheid van de buitenschoolse opvang waarborgt. Medewerkers zijn vertrouwd met interne procedures zoals ongevallen, grensoverschrijdend gedrag en evacuaties. De organisator voorziet hiervoor jaarlijks minstens één oefening of vormingsmoment. De organisator leeft de geldende normen en waarden na in de omgang met gezinnen, kinderen en medewerkers, met bijzondere aandacht voor een positieve omgang met diversiteit en het voorkomen van en gepast reageren op discriminatie en grensoverschrijdend gedrag. De organisator beschikt over een schriftelijk vastgelegde en publiek toegankelijke klachtenprocedure. Deze procedure wordt autonoom ontwikkeld en opgevolgd door de organisator en is aantoonbaar, onder meer door opname in het schoolreglement. Bij formele klachten geldt een meldingsplicht (ontvangst, opstart procedure en afsluiting) ten opzichte van het lokaal bestuur. Elke klacht of vaststelling houdende schending van de fysieke of psychische integriteit van een kind of medewerker wordt onmiddellijk gemeld aan de bevoegde instanties en aan het lokaal bestuur. |
| Art. 7: | 3. Financieel beleid De organisator voert een gezond financieel beleid. De organisator kan, op verzoek, jaarlijkse overzichten voorleggen van de inkomsten en uitgaven die verband houden met de organisatie van de buitenschoolse opvang. De organisator past de door de gemeente Gavere vastgelegde tarieven toe. Deze tarieven worden jaarlijks vastgesteld in samenspraak met het lokaal samenwerkingsverband BOA en kunnen worden bijgestuurd op basis van actuele noden. |
| Art. 8: | 4. Openingsuren en toegankelijkheid Organisatoren beschikken over autonomie om de openingsuren per dag vast te leggen. Zij voorzien minimaal opvang op weekdagen voor en na schooltijd van minimaal 7u tot minimaal 18u, op woensdagnamiddag tot minimaal 17u30, op vrijdag tot minimaal 17u30 en op schoolvrije dagen van minimaal 8u tot minimaal 17u. De organisator registreert de beschikbare capaciteit in functie van maximaal aantal kinderen dat gebruik kan maken van de buitenschoolse opvang tijdens de openingstijden. De erkende organisator is verplicht gebruik te maken van de door het lokaal bestuur voorziene inschrijvingstool en deze te implementeren in de werking. |
| Pijler Pedagogisch beleid |
|
| Art. 9: | De organisator beschikt over een uitgewerkte pedagogische visie . Deze visie is richtinggevend voor de dagelijkse werking van de buitenschoolse opvang en wordt gedragen door de medewerkers. 1. Kwaliteitsvolle interacties De organisator zorgt ervoor dat de begeleiders kwaliteitsvolle interacties aangaan met de kinderen. Het welbevinden en de betrokkenheid van de kinderen en de verbondenheid tussen de kinderen onderling wordt opgevolgd en bevorderd. Er wordt rekening gehouden met het ontwikkelingsniveau, het ritme, de interesses, de wensen en de eigenheid van de kinderen. Er wordt gezorgd voor zo veel mogelijk continuïteit in de begeleiding. De organisator maakt actief gebruik van de pedagogische coaching, ondersteuning en opleiding aangeboden door het lokaal bestuur Gavere. 2. Veilige en gezonde omgeving De organisator creëert rijke en gevarieerde speelmogelijkheden en ontplooiingskansen in een sfeer van vrije tijd. Er wordt rekening gehouden met de interesses en leefwereld van de kinderen binnen het geheel van het aanbod. De organisator biedt een veilige en gezonde omgeving die aan de volgende voorwaarden voldoen:
3. Taalbeleid De organisator voorziet bewust oefentijd voor het Nederlands, ook voor kleuters, en besteedt aandacht aan duidelijke en heldere communicatie met ouders. De taalontwikkeling van kinderen wordt gestimuleerd. 4. Ratio De organisator voorziet voldoende begeleiders voor het aantal kinderen aanwezig om de veiligheid en speelmogelijkheden te garanderen. Richtinggevend bij de inzet van de begeleiders geldt een kindratio van 1 begeleider op 25 kinderen. Er wordt, in functie van de veiligheid, gestreefd naar een minimale inzet van 2 begeleiders per opvangmoment. Hierbij heeft de organisator wel de autonomie om inzet te laten variëren afhankelijk van de piek- en dalmomenten. Afwijkingen van de vooropgestelde ratio zijn gemotiveerd mogelijk in de voorschoolse opvang of op vestigingen met een gemiddelde bezetting kleiner dan 18 kinderen. Voor momenten waarop uitzonderlijk slechts één medewerker aanwezig is, wordt een veiligheidsprocedure uitgewerkt. |
| Pijler Medewerkersbeleid |
|
| Art. 10: | De organisator voert een systematisch medewerkersbeleid dat gericht is op het zorgzaam omgaan met medewerkers, het creëren van betrokkenheid bij het geheel van de organisatie en het bieden van erkenning en waardering. De organisator staat in voor goede werkomstandigheden en het welzijn van de medewerkers op de werkvloer. De organisator ondersteunt alle medewerkers en neemt initiatieven om hun competenties te versterken. Elke locatie beschikt over een duidelijk aanspreekpunt. Begeleiders hoeven niet te beschikken over specifieke diploma’s, maar moeten minimaal voldoen aan het door het lokaal bestuur, in samenspraak met lokaal samenwerkingsverband BOA, vastgelegde competentieprofiel. Deze competenties dienen uiterlijk twee jaar na indiensttreding verworven te zijn en kunnen worden aangetoond via diploma’s of relevante ervaring. |
| Pijler Toegankelijkheid |
|
| Art. 11: | De organisator zorgt dat de buitenschoolse opvang toegankelijk is voor alle kinderen die de school bezoeken, ongeacht achtergrond, met bijzondere aandacht voor kleuters, kinderen met specifieke zorgbehoeften en gezinnen in kwetsbare situaties. De organisator maakt het opvangaanbod bekend aan de gezinnen door een actuele en duidelijke beschrijving van het aanbod beschikbaar te stellen, inclusief openingsuren, prijsbeleid, inschrijvings- en annuleringsvoorwaarden. Deze informatie is zowel online als op papier raadpleegbaar. Voor UiTPAS-houders met een kansentarief wordt een sociaal tarief toegepast; gezinnen in financieel kwetsbare situaties hebben recht op een vermindering van 80% op het standaardtarief. Om de deelname van kwetsbare gezinnen te bevorderen, onderneemt de organisator gerichte acties om drempels weg te nemen, informatie toegankelijk te maken en samen te werken met lokale partners die gezinnen in kwetsbare situaties ondersteunen. |
| Pijler Monitoring en evaluatie |
|
| Art. 12: | De organisator volgt systematisch de kwaliteit van de buitenschoolse opvang op en neemt bij vastgestelde tekortkomingen passende maatregelen. Hiertoe levert de organisator jaarlijks een rapportage aan volgens het door de gemeente Gavere vastgelegde sjabloon, waarin kernindicatoren van het erkenningskader worden behandeld. Daarnaast wordt om de twee jaar een tevredenheidsbevraging bij ouders uitgevoerd om de gebruikersbeleving in kaart te brengen, de resultaten worden aangewend voor de voortdurende verbetering van de werking. |
| Pijler Verbondenheid |
|
| Art. 13: | De organisator werkt samen met andere betrokken (gemeentelijke) diensten en actoren. De organisator verwerkt persoonsgegevens met inachtneming van de geldende regelgeving inzake gegevensbescherming (GDPR). De organisator staat in voor het faciliteren van de noodzakelijke uitwisseling van informatie tussen school en opvang, met respect voor de privacy van het kind en in overleg met de ouders. |
| Procedure |
|
| Aanvraag tot erkenning |
|
| Art. 14: | De organisator kan een aanvraag voor de periode 2026-2031 éénmalig indienen via een formulier tussen 1 april en 31 mei 2026. De organisator vult een zelfevaluatieformulier in waarin wordt aangegeven in welke mate aan de kwaliteitsvereisten wordt voldaan en welke verbeterstappen nog nodig zijn. Het college van burgemeester en schepenen beoordeelt de ontvangen erkenningsaanvragen ten laatste tegen 30 juni 2026. De toegekende erkenning is geldig voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 31 december 2031. Na erkenning wordt de locatie opgenomen in het lokaal register en neemt de organisator deel aan de opvolging en jaarlijkse evaluatie. |
| Toezicht en handhaving |
|
| Art. 15: | Het lokaal bestuur houdt minstens toezicht via jaarlijks verantwoordingsverslag van de organisator via het voorzien sjabloon en is belast met de handhaving. Er kan een fysiek inspectiebezoek plaatsvinden. Daarnaast kan op elk moment een inspectiebezoek worden uitgevoerd naar aanleiding van een klacht. Een inspectiebezoek resulteert in een inspectieverslag, al dan niet met dwingende maatregelen of aanbevelingen. Bij onvoldoende opvolging van de aanbevelingen kan een negatieve evaluatie resulteren in het intrekken van de erkenning door het college van burgemeester en schepenen, desgevallend met onmiddellijke ingang om dwingende redenen. |
| Slotbepalingen |
|
| Art. 16: | Onderhavig reglement treedt in werking met ingang van 1 april 2026 en loopt tot 31 december 2031. |
| Art. 17: | Onderhavige beslissing wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 285, 286 §1 1 en 287 van het decreet lokaal bestuur. De toezichthoudende overheid wordt in kennis gesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 330 van het decreet lokaal bestuur. |
| Art. 18: | Een afschrift van deze beslissing wordt overgemaakt aan:
|
Het decreet van 3 mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten (het BOA-decreet) kent aan lokale besturen een centrale regierol toe in de uitbouw van een geïntegreerd buitenschools aanbod. De lokale besturen staan voor de opdracht om een toegankelijk, kwaliteitsvol en inclusief aanbod van buitenschoolse opvang en activiteiten te realiseren voor alle kinderen en gezinnen.
Het lokaal bestuur vervult daartoe de volgende opdrachten:
1° het ontwikkelen van een lokaal beleid dat rekening houdt met de doelstellingen en dat deel uitmaakt van de meerjarenplanning.
2° het beslissen over de besteding en de verdeling van de beschikbare financiële, personele, logistieke en infrastructurele middelen, waaronder de subsidie.
3° de erkenning, het toezicht en de handhaving met betrekking tot het lokaal aanbod van buitenschoolse activiteiten.
Het lokaal bestuur Gavere start op 1 september 2026 met de effectieve uitvoering van het BOA-decreet.
Het verdelen van de beschikbare financiële middelen kadert binnen deze decretale bevoegdheden en vormt een noodzakelijke stap voor een consistente en transparante uitvoering van het BOA-decreet op lokaal niveau.
De erkenning van de actoren, de nulmeting van de kwaliteit per erkende locatie aan de hand van een zelfevaluatie en de middelen voor 2026 vormen een belangrijke impuls om vanaf 2027 over te stappen naar een toelagereglement met een deels vaste en deels variabele werkingstoelage, gericht op groei in kwaliteit volgens de zes verplichte pijlers. Dit reglement wordt momenteel uitgewerkt in samenwerking met het lokaal samenwerkingsverband BOA en zal in het najaar ter goedkeuring aan de gemeenteraad worden voorgelegd voor 2027 en de daaropvolgende jaren.
Het lokaal samenwerkingsverband verleende positief advies over de voorliggende ontwerpstukken in de zitting van 27 februari 2026.
De kredieten zijn gekoppeld aan de prioritaire actie A020303 Ontwikkelen van een kwalitatief en geïntegreerd beleid rond buitenschoolse opvang en activiteiten (BOA) voor alle kinderen en gezinnen.
| Doelstelling en toepassingsgebied | |
| Art. 1: | Dit reglement regelt het recht op een BOA-toelage 2026 voor erkende organisatoren van buitenschoolse opvang op het grondgebied van Gavere. Via dit reglement wordt financiële ondersteuning geboden voor acties die bijdragen aan de zes kwaliteitspijlers van het lokale erkenningskader BOA. |
| Art. 2: | Dit reglement is van toepassing op organisatoren van schoolopvang. Het recht:
|
|
Aanwending |
|
| Art. 3: | De BOA-toelage wordt aangewend om de buitenschoolse opvang verder voor te bereiden op een meer kwaliteitsvolle, duurzame en samenhangende werking. De toelage kan ingezet worden voor acties die bijdragen aan één of meerdere van de zes kwaliteitspijlers opgenomen in het erkenningskader BOA:
|
| Art. 4: |
De middelen worden uitsluitend ingezet voor de buitenschoolse opvang voor- en naschools, op woensdagnamiddag en op schoolvrije dagen. |
| Art. 5: |
De erkende organisator betrekt medewerkers en gebruikers bij keuzes die impact hebben op de werking en kwaliteit van de buitenschoolse opvang en maakt deze participatie aantoonbaar bij rapportage.
|
|
Procedure |
|
| Art. 6: |
Voor 2026 wordt een totaal budget van € 70.000 voorzien. Het jaarlijkse budget voor de werkingstoelage wordt verdeeld over de goedgekeurde erkenningsaanvragen. De BOA-subsidie wordt forfaitair verdeeld op basis van:
|
| Art. 7: |
De gemeente:
|
|
Toezicht en handhaving |
|
| Art. 8: |
De erkende organisator:
|
| Art. 9: |
De wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en op de aanwending van sommige toelagen is integraal van toepassing. Het college van burgemeester en schepenen is belast met de uitoefening van de controle(s) bedoeld in de wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en op de aanwending van sommige toelagen en behoudt het recht:
|
|
Slotbepalingen |
|
| Art. 10: |
Het college van burgemeester en schepenen wordt belast met de uitvoering van onderhavig reglement. |
| Art. 11: |
Onderhavig reglement treedt in werking op 01 april 2026 en eindigt op 31 augustus 2027. |
| Art. 12: | Onderhavige beslissing wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 en 287 van het decreet lokaal bestuur. De toezichthoudende overheid wordt in kennis gesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 330 van het decreet lokaal bestuur.
|
| Art. 13: | Een afschrift van deze beslissing wordt overgemaakt aan:
|
Het decreet van 3 mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten (het BOA-decreet) kent aan lokale besturen een centrale regierol toe in de uitbouw van een geïntegreerd buitenschools aanbod. De lokale besturen staan voor de opdracht om een toegankelijk, kwaliteitsvol en inclusief aanbod van buitenschoolse opvang en activiteiten te realiseren voor alle kinderen en gezinnen.
Het lokaal bestuur vervult daartoe de volgende opdrachten:
1° het ontwikkelen van een lokaal beleid dat rekening houdt met de doelstellingen en dat deel uitmaakt van de meerjarenplanning.
2° het beslissen over de besteding en de verdeling van de beschikbare financiële, personele, logistieke en infrastructurele middelen, waaronder de subsidie.
3° de erkenning, het toezicht en de handhaving met betrekking tot het lokaal aanbod van buitenschoolse activiteiten.
Het lokaal bestuur Gavere start op 1 september 2026 met de effectieve uitvoering van het BOA-decreet.
Het verdelen van de beschikbare financiële middelen kadert binnen deze decretale bevoegdheden en vormt een noodzakelijke stap voor een consistente en transparante uitvoering van het BOA-decreet op lokaal niveau.
Op 5 september 2025 keurde de Vlaamse Regering het uitvoeringsbesluit over de BOA boost-subsidie goed. De subsidie geeft lokale besturen een belangrijke extra impuls om de lokale uitrol van het BOA-decreet vorm te geven.
Voor het lokaal bestuur Gavere bedraagt de BOA-Boost subsidie:
De middelen kunnen besteed worden aan acties tussen 1 juli 2025 en 31 december 2026 om:
Dit reglement biedt financiële ondersteuning om de kwaliteit te verhogen, onder meer door in te zetten op kwaliteitsvolle speel- en rustmomenten voor kinderen van 3 tot 12 jaar en op het creëren van een duurzame, stimulerende speelomgeving.
Het lokaal samenwerkingsverband verleende positief advies over de voorliggende ontwerpstukken in de zitting van 27 februari 2026. Het concrete advies en het antwoord hierop luiden:
| Advies | Antwoord bestuur |
| Art. 3. Is het niet veiliger om geen verdeling (95% voor duurzaam spel- en inrichtingsmateriaal en max. 5% voor klein materiaal) vast te leggen van de middelen? | Het bestuur geeft het vertrouwen aan de erkende organisatoren om zelf te beslissen over de verdeling van de middelen. Artikel 3 werd als volgt aangepast: "Verdeling van de middelen beoogt
De organisatoren beogen met de verdeling van de middelen een gezonde verdeling tussen materiaal voor kleuters versus lagereschoolkinderen en duurzaam versus klein materiaal. |
De kredieten zijn gekoppeld aan de prioritaire actie A020304 Ontwikkelen van een kwalitatief en geïntegreerd beleid rond buitenschoolse opvang en activiteiten (BOA).
|
|
Doelstelling en toepassingsgebied |
| Art. 1: |
Dit reglement regelt het recht op speelcheques voor erkende organisatoren van buitenschoolse opvang op het grondgebied van Gavere. Via dit reglement wordt financiële ondersteuning geboden voor acties die bijdragen aan een kwaliteitsvolle, duurzame en stimulerende speelomgeving. |
| Art. 2: |
Dit gebruikersreglement is van rechtswege van toepassing op alle organisatoren van schoolopvang. Het recht:
|
|
|
Aanwending |
| Art. 3: |
De speelcheques kunnen worden gebruikt voor:
|
| Art. 4: |
De met speelcheques aangekochte materialen worden aangewend voor de buitenschoolse opvang en moeten ten allen tijde beschikbaar en inzetbaar zijn binnen de opvangwerking. |
| Art. 5: |
De erkende organisator betrekt medewerkers en gebruikers bij keuzes die impact hebben op de werking en kwaliteit van de buitenschoolse opvang en maakt deze participatie aantoonbaar bij rapportage. |
|
|
Procedure |
| Art. 6: |
Voor het schooljaar 2026–2027 wordt een bedrag van € 40 per kind, ingeschreven in een kleuter- of basisschool die optreedt als organisator, voorzien. De BOA-subsidie wordt verdeeld op basis van:
|
| Art. 7: |
De gemeente:
|
|
|
Toezicht en handhaving |
| Art. 8: |
De erkende organisator:
|
| Art. 9: |
De wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en op de aanwending van sommige toelagen is integraal van toepassing. Het college van burgemeester en schepenen is belast met de uitoefening van de controle(s) bedoeld in de wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en op de aanwending van sommige toelagen en behoudt het recht:
|
|
|
Slotbepalingen |
| Art. 10: |
Het college van burgemeester en schepenen wordt belast met de uitvoering van onderhavig reglement. |
| Art. 11: |
Onderhavig reglement treedt in werking op 01 april 2026 en eindigt op 31 augustus 2027. |
| Art. 12: |
Onderhavige beslissing wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 en 287 van het decreet lokaal bestuur. De toezichthoudende overheid wordt in kennis gesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 330 van het decreet lokaal bestuur. |
| Art. 13: |
Een afschrift van deze beslissing wordt overgemaakt aan:
|
Het behoort tot de bevoegdheid van de lokale overheid om een eigen reglementering op te stellen, waarbij eventueel de algemene normering overgenomen, aangepast en uitgebreid wordt aan het specifieke beheer van de eigen begraafplaats(en).
De bevoegdheden inzake begraafplaatsen zijn als volgt verdeeld:
Bevoegdheid gemeenteraad:
Bevoegdheden college:
Bevoegdheden burgemeester:
De belangrijkste wijzigingen zijn:
De aanleg van een knekelput op elke begraafplaats is een praktische en respectvolle oplossing voor het beheer van oude graven. Wanneer graven na verloop van tijd worden geruimd, kunnen de overgebleven botresten op een waardige manier worden herbegraven in de knekelput. Dit maakt hergebruik van perken mogelijk, bespaart ruimte en vermindert de noodzaak tot uitbreiding van de begraafplaats, terwijl er zorgvuldig met menselijke resten wordt omgegaan. De gemeentelijke begraafplaats in Gavere beschikt reeds over een knekelput, de gemeentelijke begraafplaats in Asper nog niet.
Sterrenweides bieden de ouders een waardige en rustige plaats om stil te staan bij het verlies van een stilgeboren of zeer jong overleden kind. Deze speciaal ingerichte zones op begraafplaatsen maken het mogelijk om ook bij zeer korte levens een tastbare herdenkingsplek te voorzien. Daarnaast zorgen sterrenweides voor meer erkenning en maatschappelijke ondersteuning bij rouw en verlies. Beide begraafplaatsen beschikten reeds over sterrenbomen, de perken worden nu definitief aangelegd en ingetekend op beide begraafplaatsen.
| Concessies |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 1: |
De begraving van een stoffelijk overschot, de begraving van een asurne en de bijzetting van een asurne in een columbarium kunnen het voorwerp uitmaken van een concessie zolang de omvang van de begraafplaatsen dit mogelijk maakt. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 2: |
De concessies, inclusief de hernieuwingen, worden verleend door het college van burgemeester en schepenen. Het college van burgemeester en schepenen wordt ook gemachtigd om de concessies te beëindigen bij toepassing van een procedure van verwaarlozing en naar aanleiding van een aanvraag tot voortijdige beëindiging van een concessie. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 3: |
Het verlenen van een concessie houdt geen verhuring noch verkoop in. Er mag aan de concessie geen andere bestemming gegeven worden dan die waarvoor ze werd verleend. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 4: |
§ 1. Volgende concessies worden toegestaan:
§3. De concessie neemt een aanvang op de datum van de begraving of de bijzetting. §4. Eeuwigdurende concessies werden op 20 juli 1971 van rechtswege omgezet naar concessies van 50 jaar, te rekenen vanaf het overlijden van de eerste begunstigde. Wanneer de datum van het overlijden van de eerste begunstigde niet bekend is, wordt de aanvangsdatum van de concessie geacht 20 juli 1971 te zijn. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 5: |
De concessie wordt schriftelijk aangevraagd en vermeldt de identiteit van de aanvrager(s) en van de begunstigde(n). |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 6: |
De hernieuwing kan in het geval van verwaarlozing door het college van burgemeester en schepenen geweigerd worden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Hernieuwing voor het verstrijken van termijn |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 7: |
De concessies kunnen op uitdrukkelijke aanvraag vóór het verstrijken van de termijn hernieuwd worden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Hernieuwing zonder bijzetting |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 8: |
Gedurende 1 jaar voor de definitieve vervaldatum van de concessie wordt de mogelijkheid tot hernieuwing door middel van een akte van de burgemeester of zijn gemachtigde bekendgemaakt aan het betrokken graf en aan de ingang van de begraafplaats. Op schriftelijk verzoek en voor het verstrijken van de toegekende concessietermijn, kan de concessie verlengd worden te rekenen vanaf de vervaldatum. Indien er geen aanvraag tot hernieuwing van de concessie is ingediend voor de vervaldatum, vervalt de concessie. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Hernieuwing met een bijzetting |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 9: |
De concessie moet onmiddellijk hernieuwd worden naar aanleiding van een nieuwe bijzetting indien de resterende looptijd minder dan 10 jaar bedraagt. In andere gevallen is een hernieuwing steeds mogelijk op uitdrukkelijke vraag. De duurtijd wordt pro rata berekend zodat beide concessies dezelfde termijn hebben. De startdatum van de nieuwe concessie is de datum van de begraving of de bijzetting van de tweede persoon. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Retroactieve thuisbewaring of verstrooiing |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 10: |
De aanvraag tot retroactieve thuisbewaring of verstrooiing kan gesteld worden tijdens de concessieduur en/of tijdens de procedure van hernieuwing van concessies. De aanvraag moet schriftelijk worden ingediend bij het college van burgemeester en schepenen door de overlevende echtgeno(o)t(e) of samenlevende partner én alle bloedverwanten eerste graad. De plaats van bewaring of verstrooiing wordt in de aanvraag aangeduid. De modaliteiten betreffende de ontgraving zijn van toepassing tijdens de concessieduur. De geconcedeerde nis of perceel wordt gedurende een termijn van 2 jaar bewaard. De bewaringstermijn heeft geen invloed op de oorspronkelijk toegekende concessietermijn. Wanneer de thuisbewaring voor de termijn van 2 jaar ophoudt, kan de oorspronkelijke concessie benut worden. Wanneer de thuisbewaring na de termijn van 2 jaar ophoudt, kan de as van de overledene uitgestrooid worden op de strooiweide van één van de gemeentelijke begraafplaatsen of kan de asurne opnieuw worden bijgezet of begraven worden in een nieuwe concessie op één van de gemeentelijke begraafplaatsen. De verwijdering en de herplaatsing van de afdekplaat van het columbarium of van het monument van het urnenveld, naar aanleiding van een aanvraag tot retroactieve thuisbewaring gebeurt in opdracht en op kosten van de aanvrager van de thuisbewaring. Voor de verwijdering en de herplaatsing wordt een afspraak gemaakt met het lokaal bestuur. De aanvrager van de retroactieve thuisbewaring is verantwoordelijk voor de eventuele schade. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Begravingen | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 11: | De actieve begraafplaatsen zijn
De gesloten begraafplaatsen zijn:
De gesloten begraafplaatsen die omgezet werden naar een andere bestemming zijn:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 12: | Op de actieve begraafplaatsen worden de volgende vormen van begraving aangeboden:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 13: | De volgorde van de begravingen en de bijzettingen wordt bepaald door het college van burgemeester en schepenen, op voorstel van de technische dienst. De begravingen worden volgens plan, zoals gezien in bijlage, in regelmatige volgorde uitgevoerd. Dat plan wijst de percelen aan voor o.a. knekelput, strooiweide, sterrenweide, begraving in niet-geconcedeerde grond, geconcedeerde grond, graf- en urnenkelders, urnenvelden, perken voorgehouden voor specifieke doelgroepen, alsook voor de bijzetting in de nissen van het columbarium. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 14: | De stoffelijke resten die tevoorschijn komen ingevolge de ontruiming of de verwijdering van graven krijgen de volgende bestemming:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 15: | Er mogen ten hoogste 2 stoffelijke overschotten boven elkaar geplaatst worden bij alle vormen van begraving, met uitzondering op de tot op heden toegestane lopende concessies en de hernieuwingen daarvan. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 16: | De urne met de as van de eerder overleden echtgenoot of persoon die met de overledene een feitelijk gezin vormde, kan, wanneer de overledene dit in zijn laatste wilsbeschikking heeft bepaald of bij gebrek daaraan op gezamenlijk schriftelijk verzoek van alle bloed- en aanverwanten van de eerste graad:
De samen met de overledene begraven of bijgezette urne volgt de bestemming van de kist of van de urne van de laatst overledene bij opgraving van laatstgenoemde. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 17: | Zonder concessie kunnen op de begraafplaatsen begraven worden of bijgezet in een columbarium:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 18: | Een niet-geconcedeerd graf wordt 10 jaar bewaard. Wanneer niet-geconcedeerde graven moeten worden verwijderd, dan zal een afschrift van de beslissing tot verwijdering gedurende 1 jaar voor het vervallen van begravingstermijn bekendgemaakt worden:
De belanghebbenden zullen, te rekenen vanaf de datum van de bekendmaking bedoeld in vorige alinea, beschikken over een termijn van 1 jaar om de graftekens weg te nemen. Na die termijn worden zij van ambtswege verwijderd, en worden ze eigendom van de gemeente. Het college van burgemeester en schepenen beslist over de bestemming van deze materialen. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 19: | De herdenkingsplaatjes aan de strooiweide worden 10 jaar bewaard. Wanneer de plaatjes moeten worden verwijderd, zal een afschrift van de beslissing tot verwijdering gedurende 1 jaar voor het vervallen van bewaringstermijn bekendgemaakt worden:
De belanghebbenden zullen, te rekenen vanaf de datum van de bekendmaking bedoeld in vorige alinea, beschikken over een termijn van 1 jaar om de wens uit te drukken om het naamplaatje te ontvangen. Na die termijn worden zij van ambtswege verwijderd, en worden ze eigendom van de gemeente. Het college van burgemeester en schepenen beslist over de bestemming van deze materialen. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 20: | Tijdens de bewaartermijn van de niet-geconcedeerde begraving en/of tijdens de procedure van verwijdering van de niet-geconcedeerde begravingen, kan de omvorming naar een concessie uitzonderlijk toegestaan worden mits schriftelijke aanvraag gericht aan het college van burgemeester en schepenen én mits ontgraving. De daaraan verbonden kosten zijn ten laste van de aanvrager. De periode vanaf de begraving in de niet-geconcedeerde grond zal verrekend worden en dus opgenomen in de termijn van de aangevraagde concessie. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 21: | De afmetingen en de aard van de gebruikte materialen van de grafmonumenten zijn als volgt bepaald voor alle begravingen, met uitzondering op de tot op heden lopende concessies en de hernieuwingen daarvan:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 22: | De burgemeester kan alleen om ernstige redenen toestemming verlenen tot opgraving. De aanvraag tot ontgraving moet schriftelijk worden ingediend bij het college van burgemeester en schepenen door de overlevende echtgeno(o)t(e) of samenlevende partner én alle bloedverwanten eerste graad. De kosten voor de ontgraving vallen integraal ten laste van de aanvrager. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Specifieke perken |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 23: | Sterrenweide De sterrenweide is een voorbehouden plaats op de centrale begraafplaats voor de herdenking van foetussen die levenloos geboren worden vóór het verstrijken van 180 dagen van de zwangerschap. Ouders, van wie minstens één ingeschreven is het bevolkings-, vreemdelingen-, of wachtregister van de gemeente, kunnen kiezen om een naamsymbool gratis te plaatsen op de voorziene plaats voor een termijn van 50 jaar. De (gegraveerde) naamplaatjes worden aangeboden door het lokaal bestuur. De plaatsing op een monument en het onderhoud van het naamplaatje gebeurt daarna door het lokaal bestuur. Op de sterrenweide mogen geen persoonlijke ornamenten geplaatst worden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 24: | Kinderen Op het kinderperk worden de begravingen van overledenen tot de leeftijd van 12 jaar toegestaan. De concessies op de kinderbegraafplaats worden kosteloos en nominatief toegekend voor een termijn van 50 jaar, die aanvangt op de datum van de begraving voor overleden kinderen van wie ten minste één ouder is ingeschreven in het bevolkings-, vreemdelingen-, of wachtregister van het lokaal bestuur. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 25: | Oudstrijders Op de door het lokaal bestuur aangeduide ereperk mogen begraven of bijgezet worden:
De hoedanigheid van de rechthebbende moet blijken uit een authentiek document, bewijs afgeleverd door de dienst van het Stamboek te Brussel, strijders- of krijgsgevangenenkaart of een attest van erkentelijkheid op naam van de betrokkenen. Alle rechthebbenden of hun nabestaanden kunnen een aanvraag indienen bij het college van burgemeester en schepenen om op het ereperk begraven of bijgezet te worden. Ook degene die overleden zijn en al op een van bovenvermelde begraafplaatsen begraven liggen kunnen overgebracht worden naar het ereperk. De aldus toegestane begraving of bijzetting wordt kosteloos verleend voor een termijn van 50 jaar. Deze termijn kan op eenvoudige aanvraag van nabestaanden of enige belanghebbende onder dezelfde voorwaarden vernieuwd worden voor dezelfde termijn. Het is uitgesloten dat twee personen in hetzelfde graf begraven worden, zelfs al betreft het de echtgenote, een familielid of een andere persoon. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Graftekens en beplanting |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 26: | Met het oog op de korte bewaartermijn en regelmatige ontruiming, worden op niet-geconcedeerde gronden enkel verticaal staande graftekens toegestaan. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 27: | Op de percelen waarin een stoffelijk overschot of een asurne begraven werd in geconcedeerde grond moet, uiterlijk vanaf het einde van de 6de maand na de aanvang van de concessie, een grafzerk aanwezig zijn waarop minstens de naam, de eerste voornaam en de datum of het jaartal van geboorte en van overlijden van de overledene aangebracht zijn. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 28: | Het lokaal bestuur is verantwoordelijk voor het afsluiten van de (urne)kelders, -veld en nissen van het columbarium door middel van een afdekplaat. De concessiehouders zijn gehouden binnen de 6de maand van elke bijzetting op deze plaat minstens te laten aanbrengen: de naam, de eerste voornaam en de datum of het jaartal van geboorte en van overlijden van de overledene. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 29: | De aanplantingen moeten zodanig aangelegd en onderhouden worden dat zij zich niet uitbreiden buiten de afmetingen toegewezen aan het graf, noch het zicht op de identificatiegegevens op het grafteken belemmeren. Afsluitingen, omheiningen, niet plantaardige grondbedekkers en banken zijn niet toegestaan. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 30: | Het is toegestaan een graf te versieren met sierstukken zoals kransen, bloemen, planten, of symbolen. De afmetingen mogen de afmetingen toegewezen aan het graf niet overschrijden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 31: | Op de columbariumnissen mogen bloemenhouders, foto’s of symbolen enkel bevestigd worden binnen de afmetingen van de afdekplaat. Ze mogen de aangrenzende nissen niet hinderen. Bloempotten mogen vrij worden geplaatst op de kasseien rondom de nissen. Het grasveld moet vrij blijven. Beplanting in het grasveld wordt door de bevoegde dienst weggenomen. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 32: | Bloemen en bloemenkransen kunnen ter gelegenheid van de bijzettingen of de asverstrooiingen aan de voet van het columbarium en aan de rand van de strooiweide worden neergelegd op de kasseien. Nadat de bloemen verwelkt zijn, zullen zij door de bevoegde diensten worden weggenomen. Blijvende sierstukken aan de strooiweide zijn niet toegestaan. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 33: | De belanghebbenden zijn tot onderhoudsplicht gehouden bij alle vormen van concessie. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 34: | Verwaarlozing als gevolg van onderhoudsverzuim kan vastgesteld worden als het graf, de (urnen)kelder of de columbariumnis doorlopend onzindelijk, door plantengroei overwoekerd, vervallen, ingestort of bouwvallig is. Die verwaarlozing wordt geconstateerd in een akte van de burgemeester of zijn gemachtigde: die akte blijft 1 jaar lang bij het graf, de (urnen)kelder of de columbariumnis en aan de ingang van de begraafplaats aangeplakt. Wanneer er, na het verstrijken van de termijn van 1 jaar voor de aanplakking van de akte waarin de verwaarlozing wordt geconstateerd, vastgesteld wordt dat er geen enkel herstellingswerk werd uitgevoerd, dan kan er een einde gesteld worden aan het recht op concessie. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Sluiting van een begraafplaats |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 35: | In geval van sluiting en/of wijziging van de bestemming van de begraafplaats kunnen de concessiehouders geen aanspraak maken op enige vergoeding. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 36: | §1. De concessiehouders hebben in het geval van de ontruiming van een gesloten begraafplaats recht op het bekomen van een perceel of nis van dezelfde afmetingen op de centrale begraafplaats, tot het einde van de concessietermijn. Het recht op het kosteloos bekomen van een nieuw perceel of nis is afhankelijk van het indienen van een aanvraag door enige belanghebbende, binnen een termijn van 1 jaar, volgend op de bekendmaking van de gemeenteraadsbeslissing tot ontruiming. De kosten voor het overbrengen van de stoffelijke overschotten en graftekens zijn ten laste van het lokaal bestuur. §2. De voormalige concessiehouders hebben in het geval van de (gedeeltelijke) ruiming van de grafmonumenten op een gesloten begraafplaats recht op het bekomen van een perceel of nis van dezelfde afmetingen op de centrale begraafplaats, wanneer die mogelijkheid hen niet eerder werd aangeboden. Het recht op het kosteloos bekomen van een nieuw perceel of nis is afhankelijk van het indienen van een aanvraag door enige belanghebbende, binnen een termijn van 1 jaar, volgend op de bekendmaking van de beslissing van de burgemeester tot ruiming van de grafmonumenten. De kosten voor het overbrengen van de stoffelijke overschotten en de grafmonumenten zijn ten laste van het lokaal bestuur. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 37: | Het overbrengen van graftekens naar de centrale begraafplaats is niet mogelijk voor die graftekens die:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Politie – en strafbepalingen |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 38: | De gemeenschappelijke begraafplaatsen zijn voor het publiek toegankelijk van zonsopgang tot zonsondergang behoudens afwijkingen die door de burgemeester vastgesteld zijn. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 39: | Het lokaal bestuur is niet belast met de bewaking van de op de graven geplaatste voorwerpen. Het lokaal bestuur kan niet aansprakelijk worden gesteld voor de diefstallen of beschadigingen die op de begraafplaatsen ten nadele van de nabestaanden zouden gepleegd worden aan de graven, erop aangebrachte gedenktekens, beplantingen enz. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 40: | De teraardebestelling van stoffelijke overschotten is mogelijk op de werkdagen en zaterdagen van 09.00 uur tot 16.00 uur, uitgezonderd op de wettelijke feestdagen, behoudens afwijkingen die door de burgemeester vastgesteld zijn. Er moet vooraf een toelating tot begraven bekomen zijn van het lokaal bestuur. Voor de plaats en het tijdstip moeten de betrokkenen zich schikken naar de beslissingen van de burgemeester of zijn aangestelde. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 41: | De graftekens moeten zodanig opgericht en onderhouden worden dat ze de veiligheid en doorgang niet belemmeren en dat ze geen schade aanbrengen aan de aangrenzende graftekens en graven. Het is niet toegestaan grafstenen of andere gedenktekens te plaatsen die door hun vorm, afmetingen, hun opschriften of de aard van de materialen de zindelijkheid, gezondheid, veiligheid en rust op de begraafplaats kunnen verstoren of schade aanbrengen aan de aangrenzende graftekens of graven. Plaatsen, wegnemen en verbouwen van graftekens moet op werkdagen gebeuren. Deze werken zijn niet toegelaten in de week voor en de week na Allerheiligen. Bij de aanvoer op de begraafplaats moeten de grafmonumenten zo afgewerkt zijn dat zij onmiddellijk kunnen worden geplaatst. Materialen noch werktuigen mogen op de begraafplaatsen achtergelaten worden. Materialen en werktuigen, in strijd met de bepalingen van dit reglement, worden na ingebrekestelling door de burgemeester of zijn gemachtigde op kosten van de overtreder verwijderd en maximaal 1 maand in bewaring genomen. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 42: | Op de begraafplaatsen zijn alle handelingen verboden waardoor de welvoeglijkheid, de orde of de aan de doden verschuldigde eerbied verstoord wordt. Het is in het bijzonder verboden:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 43: | Voor zover wetten, besluiten, decreten, algemene en provinciale reglementen of verordeningen in geen andere straffen voorzien en voor zover de artikelen 315, 340, 453 en 526 van het Strafwetboek niet van toepassing zijn, worden inbreuken op deze verordening bestraft met politiestraffen. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Slotbepalingen |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 44: | Alle niet in dit reglement voorziene gevallen worden beslecht door het college van burgemeester en schepenen, in zoverre zij niet door een wet, besluit of decreet aan een andere overheid worden toegewezen. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 45: | Onderhavige beslissing vervangt met ingang van 1 maart 2026 het gemeenteraadsbesluit van 12 februari 2024 houdende huishoudelijk reglement op de gemeentelijke begraafplaatsen - vaststellen (vervangen gemeenteraadsbesluiten van 6 februari 1992, 7 juni 1996 en 17 december 2001). |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 46: | Onderhavige beslissing wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 en 287 van het decreet lokaal bestuur. De toezichthoudende overheid wordt in kennis gesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 330 van het decreet lokaal bestuur. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Art. 47: | Een afschrift van deze beslissing wordt overgemaakt aan:
|
Het college van burgemeester en schepenen besliste om een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) op te maken in het kader van het bestaande richtlijnenkader "verdichting", meer bepaald voor de woonlinten en woongehuchten waar geen bijkomende verdichting gewenst is.
De opdracht werd gegund aan Veneco op 26 februari 2024.
De procesaanpak van het RUP is gebaseerd op de procedure zoals voorzien in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), artikels 2.2.18 t.e.m.2.2.25 en bestaat uit vijf fasen:
De startnota werd goedgekeurd door het college van burgemeester en schepenen op 07 oktober 2024. Er werd over deze startnota een publieke raadpleging georganiseerd vanaf 05 maart 2025 t.e.m. 4 mei 2025, met een participatiemoment op 13 maart 2025. Er werd over deze startnota advies gevraagd aan het departement omgeving van de Vlaamse overheid, de adviserende instanties van de Vlaamse overheid, de provincie Oost-Vlaanderen en de gemeentelijke commissie ruimtelijke ordening (gecoro).
De resultaten van de publieke raadpleging en adviesronde over de startnota zijn terug te vinden in bijgevoegde scopingnota, goedgekeurd door het college van burgemeester en schepenen op 07 juli 2025.
Er werd ontheffing van de plan-MER plicht bekomen door het departement omgeving, afdeling gebiedsontwikkeling, omgevingsplanning en -projecten, dienst milieueffectrapportage op 27 augustus 2025.
Na de scopingnota werd het voorontwerp-RUP opgemaakt en goedgekeurd door het college van burgemeester en schepenen op 13 oktober 2025.
Er werd over het voorontwerp-RUP advies gevraagd aan de gecoro en de andere bevoegde instanties op 20 oktober 2025.
Alle adviezen zijn bijgevoegd bij dit besluit.
Voorliggend ontwerp-RUP werd t.o.v. het voorontwerp-RUP gewijzigd op basis van de uitgebrachte adviezen.
Tijdens de (installatie)vergadering van de gecoro van 17 maart 2026 werd dit ontwerp toegelicht.
Deze toelichting had een dubbel doel:
Er werden zorgen geuit over carports in de zijstroken en afsluitingen in voortuinen die de transparantie naar de achterliggende open ruimte zouden kunnen verhinderen.
De stedenbouwkundige voorschriften voorzien reeds dat carports uitsluitend zijn toegestaan in één van de twee bouwvrije zijstroken bij open bebouwing, en moeten van het open type zijn. Bij halfopen bebouwing moeten zijstroken volledig onbebouwd en onverhard blijven. Hiermee wordt gestreefd naar een maximaal groen en transparant straat- en tuinkarakter.
Voor wat de voortuinen betreft:
In de voorschriften van het RUP werd reeds het volgende opgenomen:
Art.1 §6: " Onbebouwde en onverharde delen dienen ingericht te worden als groen- of tuinzones, waar mogelijk met hoogstammig groen. Bij de inrichting, de aanleg en het beheer van groen moet ervoor gezorgd worden dat dit groen biodiversiteitsrijk en bijenvriendelijk is".
Men kan dit optioneel aanvullen met een artikel over de inrichting van voortuinen:
§7 Binnen voortuinen worden perceelsafsluitingen beperkt tot draadafsluitingen of stenen muren en wordt de hoogte van deze perceelsafsluitingen beperkt tot maximum 1m hoogte. Hagen en andere beplanting worden toegelaten in voortuinen, onder voorbehoud dat ze de verkeersveiligheid niet in het gedrang brengen en conform zijn aan de wetgevende bepalingen (ondermeer het Veldwetboek). Het is niet toegelaten dat de voortuin gebruikt of ingericht wordt voor het opslaan van gebruikte of afgedankte gemotoriseerde voertuigen, van allerhande materialen of afval, het plaatsen van één of meer verplaatsbare inrichtingen die voor bewoning (bv. stacaravans) kunnen worden gebruikt of het oprichten van bergplaatsen en andere constructies.
Extra verduidelijking in de toelichtende kolom:
De voortuin is het deel van de tuinzone gelegen tussen de rooilijn en de voorgevel van een woongebouw.
Bij de inrichting van de voortuin dient met zorg te worden omgegaan met de perceelsafsluitingen. Om deze reden worden geen houten panelen, doekafsluiting, kokosmatten, ... toegelaten op de grenzen met het openbaar domein, maar enkel draadafsluitingen of stenen muren. Bij woningen met een voortuin wordt de tuinmuur of de draadafsluiting beperkt tot maximum 1m hoogte.
| Art. 1: |
Het ontwerp-ruimtelijk uitvoeringsplan "Woonlinten", omvattende
voorlopig vast te stellen, zoals gezien in bijlage, met de volgende toevoeging aan artikel 1 van de stedenbouwkundige voorschriften:
|
| Art. 2: |
Het college van burgemeester te gelasten met de organisatie van het openbaar onderzoek en de adviesvraag over dit ontwerp-RUP. |
| Art. 3: |
Een afschrift van deze beslissing over te maken aan de ontwerper van het RUP (Veneco) en de afdeling Grondgebied. |
Gemeenteraadsbesluit van 20 januari 2025 houdende huishoudelijk reglement en deontologische code van de gemeenteraad (vervangen gemeenteraadsbesluit van 4 september 2023), artikel 26.
De briefwisseling gericht aan de voorzitter van de gemeenteraad en die bestemd is voor de gemeenteraad, wordt meegedeeld aan de gemeenteraadsleden.
De verslagen en de einddocumenten van de gemeentelijke adviesraden en overlegstructuren worden ter kennisname voorgelegd aan de gemeenteraad.
De schriftelijke vragen aan de burgemeester en aan het college van burgemeester en schepenen worden ter kennisname voorgelegd aan de gemeenteraad.
Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, artikel 31.
Gemeenteraadsbesluit van 20 januari 2025 houdende huishoudelijk reglement en deontologische code van de gemeenteraad (vervangen gemeenteraadsbesluit van 4 september 2023), artikel 26.
De gemeenteraadsleden hebben het recht aan de burgemeester en aan het college van burgemeester en schepenen mondelinge vragen te stellen.
De voorzitter sluit de zitting op 23/03/2026 om 20:49.
Namens Gemeenteraad,
Serge Ronsse
algemeen directeur
Wim Malfroot
voorzitter van de gemeenteraad